Het ontstaan van Centum Anni Vitalis: een jubileumwerk voor Fanfare De Bazuin Tzummarum
Sommige compositieopdrachten beginnen heel concreet. Een jubileum, een datum, een locatie. Maar soms voel je al bij het eerste gesprek dat er meer onder ligt. Dat had ik bij de opdracht van Fanfare De Bazuin Tzummarum. Zij bestonden honderd jaar en wilden daar een nieuw werk bij laten schrijven. Zoals dat zo vaak gaat. En tegelijk voelde het helemaal niet als “zomaar” een jubileumstuk.
Het thema van het jubileumjaar was honderd vitaal. Dat ene woord bleef hangen. Vitaal zegt iets over energie, over leven, over doorgaan. Niet alleen over wat er geweest is, maar vooral over wat er nog komt. Dat gegeven wilde ik niet illustreren, maar werkelijk voelbaar maken in de muziek. Zo begon het schrijfproces van Centum Anni Vitalis.
Het koraal als uitgangspunt
Vanuit de vereniging kwam een duidelijke wens: het koraal “Eens als de bazuinen klinken” moest een plek krijgen in het werk. Niet vluchtig of terloops, maar als iets waar je naartoe werkt. Een slot waarin het koraal in volle glorie zou klinken. Dirigent Marten Miedema verwoordde het mooi en raak: Ablaze! — het moest branden, stralen, gloeien.
Dat ene woord gaf richting. Ik wist meteen dat dit geen losse citaatcompositie moest worden. Het koraal moest niet alleen hoorbaar zijn, maar onderdeel worden van het muzikale DNA van het stuk. Niet als versiering, maar als fundament.
Een idee dat bleef hangen
Vrij snel voelde ik dat dit een goede gelegenheid was om een fuga te integreren. Een vorm waarin materiaal zich logisch en onvermijdelijk ontwikkelt, en waarin een thema steeds sterker wordt naarmate het zich ontvouwt. Het idee was dat het koraal uiteindelijk uit die fuga zou voortkomen, alsof het er altijd al in besloten lag.
Ik begon daarom bij het begin: het koraal zelf. Ik schreef eerst de melodie uit en zocht vervolgens naar een omspeling — een muzikale omgeving die het karakter van het koraal respecteert, maar ook ruimte biedt voor ontwikkeling. Die omspeling werd de basis voor het fugathema.
Toen dat eenmaal stond, heb ik het gebruikt als subject voor de fuga. Ik ben daarin vrij klassiek te werk gegaan: een eerste inzet als dux in de tonica, gevolgd door een comes in de dominant. Vanuit die structuur kon de fuga zich organisch ontwikkelen. Laag voor laag, stem voor stem, totdat het moment daar was waarop het koraal zelf naar voren kon komen.
Op dat punt had ik het basismateriaal voor Centum Anni Vitalis geschreven. Nog geen compositie in zijn geheel, maar wel de kern.
Van materiaal naar muziek
Met het koraal en de fuga als basismaterialen ben ik verder gaan werken aan het stuk zelf. Het begin van het koraal leende zich verrassend goed voor het maken van ostinato’s: herhalende figuren die spanning opbouwen en beweging creëren. Dat gaf energie, maar ook richting.
Het fugathema bleek bovendien flexibel. In verschillende gedaantes kon het functioneren als melodisch materiaal: soms duidelijk herkenbaar, soms verstopt in begeleidende stemmen. Dat gaf mij de vrijheid om het materiaal door het hele werk heen te laten terugkeren, zonder dat het voorspelbaar werd.
Een bewuste opening
Het idee voor de vorm van het werk werd steeds helderder. Ik wilde beginnen met een fanfare, maar niet op de manier die je misschien verwacht. Geen snelle, flitsende opening, maar juist een rustige, gedragen fanfare. Met ruimte voor stilte. Met adem. Met gewicht.
Die keuze was heel bewust. Een honderdjarig jubileum vraagt niet om haast. Ik wilde een opening die plechtig is, zonder zwaar te worden. Muziek die staat, die klinkt alsof ze weet waar ze vandaan komt. De stiltes waren daarbij net zo belangrijk als de noten.
Contrast en beweging
Na die opening mocht de muziek loskomen. Snellere passages, meer ritmische drive, meer beweging. In deze delen heb ik steeds duidelijker hints naar het koraal verwerkt. Korte fragmenten, omkeringen, ritmische verwijzingen. Het koraal is aanwezig, maar nog niet volledig zichtbaar.
Het doel was om de luisteraar ongemerkt mee te nemen richting de fuga. Niet als een abrupt vormdeel, maar als een logisch punt in de muzikale reis. Vanuit de fuga kon vervolgens worden toegewerkt naar het slot, waarin het koraal uiteindelijk volledig tot klinken komt.
De première – op afstand

De première van Centum Anni Vitalis vond plaats in de Koornbeurs te Franeker. Helaas kon ik daar zelf niet bij aanwezig zijn. Dat heb ik oprecht ervaren als een gemiste kans. Een première is voor mij niet alleen het moment waarop een werk voor het eerst klinkt, maar ook het moment waarop het loskomt van de schrijftafel en zijn eigen leven gaat leiden.
Juist bij een werk als dit, waarin zoveel intentie, gelaagdheid en persoonlijke keuzes besloten liggen, had ik graag in de zaal gezeten. Niet om te controleren of alles “klopte”, maar om te luisteren zoals een luisteraar luistert. Om te voelen hoe de muziek landt, hoe de spanning zich opbouwt, hoe het koraal uiteindelijk zijn plek vindt in de ruimte.
Onder leiding van Marten Miedema bracht Fanfare De Bazuin Tzummarum het werk voor het eerst tot klinken. Hoewel ik er fysiek niet bij kon zijn, weet ik dat de muziek daar haar eerste adem heeft gehaald. En ergens is dat ook zoals het hoort: op het moment dat een stuk wordt uitgevoerd, is het niet langer van de componist alleen.
Toch blijft het gevoel knagen dat ik dit moment heb moeten missen. Niet uit teleurstelling, maar uit betrokkenheid. Want sommige momenten wil je niet alleen achteraf horen, maar meemaken — in stilte, tussen het publiek, met niets anders dan klank.
Terugkijkend
Het werk werd goed ontvangen en in samenspraak met de vereniging zijn we uitgekomen op de titel Centum Anni Vitalis. Een titel die voor mij precies samenvat waar het werk over gaat. Niet alleen honderd jaar bestaan, maar honderd jaar leven, muziek maken en samen bouwen.
Terugkijkend zie ik Centum Anni Vitalis als meer dan een jubileumcompositie. Het is een muzikaal portret van een fanfare die stevig geworteld is in traditie, maar die ook durft te blijven bewegen. Muziek die niet alleen terugkijkt, maar vooruit wil.
En misschien is dat wel wat muziek op zulke momenten mag doen: niet alleen markeren wat geweest is, maar laten voelen dat er nog altijd iets klinkt — vitaal, levend en vol toekomst.



